Onderzoek door SCG: verschil tussen kwalificatie van partijen grond in-situ en ex-situ

Rapport

In 2000 en 2001 is door het voormalige Service Centrum Grond (SCG) uitgebreid onderzoek gedaan naar het verschil tussen de kwalificatie van partijen grond op basis van in-situ bodemonderzoeken en de kwalificatie op basis van ex-situ depotonderzoeken. Hierover zijn in 2001 een aantal rapportages verschenen.

De in dit kader belangrijkste conclusies zijn:

  • Er wordt gemiddeld circa 10% meer grond ontgraven dan op basis van in-situ gegevens wordt geraamd.
  • De relatie tussen de in-situ gehalten en de ex-situ gehalten is erg variabel. Dit betekent dat er op basis van de in-situ kwaliteit geen goede voorspelling kan worden gedaan voor de ex-situ kwaliteit.
  • In ruim 20% van de gevallen blijkt de in-situ kwalificatie van een partij overeen te komen met de ex-situ kwalificatie. Prekwalificatie op basis van de beschikbare in-situ informatie blijkt evenwel zinvol en noodzakelijk, maar geeft onvoldoende inzicht in de werkelijke kwaliteit van de grond. Daarom zou alle bij de sanering vrijkomende grond ex-situ door middel van een partijkeuring moeten worden onderzocht.

In het onderzoek wordt daarnaast het volgende gesteld:

  • De informatie uit bodemonderzoeken is er niet op gericht de kwaliteit van een ontgraven partij te voorspellen. De extrapolatie van puntmonsters naar een gemiddelde partijkwaliteit in heterogeen materiaal als grond is onbetrouwbaar.
  • Bij het uitvoeren van de chemische analyse op het monstermateriaal wordt vaak niet voldoende voorbehandeld en niet eenduidig geanalyseerd.
  • Er wordt vaak tijdens het ontgraven afgeweken van de geplande ontgravingscontouren.

Downloads