Waar dient vervolgens bodemonderzoek zich op te richten: de gehele locatie, het bouwvak of indien slecht een gedeelte van het bouwvak wordt ingericht als verblijfsruimte, alleen de verblijfruimte?

Vraag

Waar dient vervolgens bodemonderzoek zich op te richten: de gehele locatie, het bouwvak of indien slecht een gedeelte van het bouwvak wordt ingericht als verblijfsruimte, alleen de verblijfruimte?

Antwoord

De omgevingsvergunning voor het bouwen (art. 2.1 eerste lid, sub a Wabo) gaat enkel over het bouwvlak. Er kunnen geen voorwaarden worden gesteld aan de bodemkwaliteit op een andere plek dan waar de omgevingsvergunning betrekking op heeft. Het bodemonderzoek richt zich daarom op het bouwvak.

Dat wordt anders als ook een omgevingsvergunning voor het gebruik in het kader van het bestemmingsplan noodzakelijk is (art. 2.1 eerste lid, sub c Wabo). In dat geval kunnen eisen worden gesteld aan de gehele locatie en zal het bodemonderzoek zich ook moeten richten op het gedeelte waarop het bestemmingsplan/-wijziging betrekking op heeft.

De Wabo biedt de mogelijkheid om aan de omgevingsvergunning voor bouwen voorwaarden te verbinden. Op basis van artikel 2.22 van de Wabo kunnen voorwaarden aan de omgevingsvergunning worden verbonden die specifiek toezien op de betreffende activiteit waarvoor vergunning wordt gevraagd. Bij een vergunning voor bouwen gaat het daarbij om de weigeringgronden voor de vergunning zoals die zijn opgenomen in artikel 2.10 van de Wabo. In het eerste lid, onder b wordt de bouwverordening genoemd. In de bouwverordening kunnen dus aanvullende eisen worden gesteld, zoals bijvoorbeeld het verplicht onderzoeken op kritische parameters (arseen, asbest, e.d.) bovenop het standaard NEN-5740 analysepakket.