Welke normen gelden bij het toepassen van PFAS-houdende grond en baggerspecie in diepe plassen?

Vraag

Welke normen gelden bij het toepassen van PFAS-houdende grond en baggerspecie in diepe plassen?

Antwoord

Hierbij is van belang of sprake is van het toepassen van grond of van baggerspecie. En bij het toepassen van baggerspecie is van belang of er sprake is van een vrijliggende plas of sprake is van een niet-vrijliggende (zogenaamde meestromende plas). Onder ‘diepe plas’ wordt verstaan: oppervlaktewaterlichaam, ontstaan als gevolg van zandwinning, grindwinning of kleiwinning of een dijkdoorbraak.

Toepassen van grond in een diepe plas

Voor het toepassen van PFAS-houdende grond en baggerspecie in een diepe plas geldt de bepalingsgrens van 0,1 ug/kg ds als toepassingsnorm.

Toepassen van baggerspecie in een niet-vrijliggende plas

Voor baggerspecie die wordt toegepast in een niet-vrijliggende plas, gelden de toepassingswaarden van 3,7 μg/kg d.s. voor PFOS en 0,8 μg/kg d.s. voor PFOA en de andere (individuele) PFAS mits in de nabijheid van de diepe plas geen kwetsbaar object is gelegen, als bedoeld op p. 26 van de ‘Handreiking voor het herinrichten van diepe plassen.’

Als niet aan de bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, geldt de bepalingsgrens van 0,1 ug/kg ds als toepassingsnorm.

Niet-vrijliggende diepe plassen (categorie 4.9.1) zijn diepe plassen die in open verbinding staan met een Rijkswater. Hierin kan baggerspecie worden toegepast die voldoet aan het voorlopige herverontreinigingsniveau dat door Deltares is afgeleid. Het herverontreinigingsniveau is de kwaliteit van het sediment dat bij overstroming door de rivier op de uiterwaarden wordt afgezet. Dit is bepaald door Deltares aan de hand van metingen van het PFAS-gehalte in zwevend stof in oppervlaktewater. De waterkwaliteit in niet-vrijliggende diepe plassen wordt vooral bepaald door de kwaliteit van het oppervlaktewater waarmee de diepe plas in verbinding staat. Deze plassen zijn aangegeven op de kaart die als bijlage bij het tijdelijk handelingskader is gevoegd.

Verder geldt als voorwaarde dat de baggerspecie in de nabijheid van de diepe plas geen kwetsbaar object is gelegen als omschreven in de Handreiking voor het herinrichten van diepe plassen(p. 26). Hiermee moet worden voorkomen dat de grondwaterkwaliteit voor de drinkwatervoorziening wordt beïnvloed door de grote hoeveelheid baggerspecie die in de diepe plas wordt toegepast. De handreiking biedt ook een methode om de aanwezigheid van een kwetsbaar object vast te stellen (p. 26).

Toepassen van baggerspecie in een vrijliggende diepe plas

Voor andere diepe plassen dan hiervoor bedoeld geldt de bepalingsgrens van 0,1 μg/kg d.s.

Onder ‘vrijliggende diepe plas’ wordt verstaan: diepe plas, die niet is gelegen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk en die bovendien boven de spronglaag nauwelijks wordt gevoed door oppervlaktewater van elders (de verblijftijd van het water is voor 90% van het jaar langer dan een maand). Als de diepe plas is gelegen in een groter oppervlaktewaterlichaam wordt de rest van het oppervlaktewaterlichaam beschouwd als oppervlaktewater van elders.

Voor vrijliggende diepe plassen kan een hogere lokale maximale waarde worden vastgesteld via lokaal (gebiedsspecifiek) beleid. Bij de afleiding van een lokale maximale waarde is het essentieel om in het gebiedsspecifieke beleid rekening te houden met de mogelijke beïnvloeding van de grondwater- en oppervlaktewaterkwaliteit en de functie die door de diepe plas wordt vervuld. Hierbij is van belang dat de diepe plas geohydrologisch geïsoleerd is zodat er nauwelijks uitwisseling met het omliggende grondwater plaatsvindt en de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit niet nadelig wordt beïnvloed.

Hierbij kan de Handreiking geohydrologische beoordeling bij herinrichting van diepe plassen gebruikt worden. Voorwaarde is wel dat de gebiedsspecifieke toepassingsnorm alleen geldt voor baggerspecie uit het eigen beheersgebied. Daarbij moet wel rekening worden gehouden met eventuele onverwachte uitschieters (i.e. onverwachte gehalten) aan PFAS in de baggerspecie, die baggerspecie ongeschikt kunnen maken om toe te passen.