Uitspraken Raad van State inzake NRB

Vraag

Uitspraken Raad van State inzake NRB

Antwoord

Hieronder volgen enkele uitspraken die betrekking hebben op bodembescherming in relatie tot de NRB.

  1. Kan een gemeente een bedrijf ook bij verwaarloosbaar bodemrisico verplichten een bodembelastingonderzoek te doen?

    Nee, zei de Raad van State in een uitspraak die ingaat tegen de opvattingen in de NRB en de 8.40-AMvB's. Op 19 februari 2002 (200104344/1/M3) deed de voorzitter van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak over het geschil tussen de maatschap Rutten en de gemeente Uden. De kern van het geschil was de vraag of de gemeente het bedrijf al of niet terecht verplicht heeft een nulsituatie-, herhalings- en eindsituatieonderzoek uit te voeren. Wanneer in de vergunning al voorschriften zijn opgenomen ter realisering van het verwaarloosbaar bodemrisico, is de Raad van State van mening dat er onvoldoende reden is zonder motivering een bodembelastingonderzoek voor te schrijven. Motivering noodzakelijk De uitspraak staat haaks op wat de NRB en recente AMvB's ex art. 8.40 Wm hierover zeggen: daarin wordt het belang van bodembelastingonderzoek ook bij verwaarloosbaar bodemrisico nadrukkelijk onderstreept. Dit onderzoek moet overigens niet worden verward met het veel ingrijpender risicobeperkend bodemonderzoek (monitoring). Bij een melding ex art. 8.40 Wm moet immers bijna altijd een nulsituatie-onderzoeksrapport bijgevoegd worden, terwijl in deze AMvB's toch ook voorschriften zijn opgenomen die moeten leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico. Desondanks lijkt de Raad van State een motivering van het bodembelastingonderzoek noodzakelijk te vinden. Wij stellen voor daaraan te voldoen door in de considerans van de vergunning een overweging op te nemen. U kunt daarvoor gebruik maken van onderstaande overweging: Het preventieve bodembeschermingsbeleid, uitgewerkt in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB) gaat er van uit dat (zelfs) de maatregelen en voorzieningen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig kunnen uitsluiten dat onverhoopt een belasting van de bodem optreedt. Om die reden blijft bodembelastingonderzoek noodzakelijk. Zulk onderzoek is gericht op de feitelijk aanwezige installaties en de aldaar gebezigde stoffen en beperkt zich tot het vastleggen van de nulsituatie bodemkwaliteit voorafgaand aan, of zo spoedig mogelijk na, de start van de betreffende activiteit(en) en een vergelijkbaar eind- en (eventueel) tussensituatie bodemonderzoek om aantasting van de bodemkwaliteit aan te kunnen tonen. Indien aldus een onverhoopte bodembelasting is geconstateerd kan het bodemherstel worden verhaald op de veroorzaker. Herhalingsonderzoek ten slotte is overigens niet in alle situaties noodzakelijk. Het hangt af van het type bodem en stofeigenschappen. Hoofdstuk B-1 van de NRB gaat hier dieper op in.
  2. Onderzoek ondanks beschermende voorzieningen

    De NRB zegt dat voorafgaand aan bodembedreigende activiteiten een nulsituatie onderzoek en na beëindiging van deze activiteiten een eindsituatie onderzoek uit te voeren. Dat het uitvoeren van deze onderzoeken ook van belang is als er al bodembeschermende voorzieningen aanwezig zijn, wordt in onderstaande uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de raad van State bevestigd.

    In de uitspraak van 29 april jl. nummer: 200206341/1 stelt de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State dat het niet valt uit te sluiten dat ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten, ondanks de aanwezigheid van bodembeschermende voorzieningen, bodemverontreiniging kan optreden. De voorschriften, toegevoegd aan de vigerende vergunning om de nul- en eindsituatie door middel van een bodemonderzoek te bepalen zodat mogelijke bodemverontreiniging vastgesteld kan worden, worden als redelijk beschouwd.

    In de uitspraak van 26 maart 2003 jl. nummer: 200201547/1 stelt de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat alsnog bodemverontreiniging optreedt op plaatsen waar bodembeschermende voorzieningen zijn aangebracht.
  3. Opslag teerhoudend asfaltgranulaat vereist bodembeschermende voorzieningen

    De Raad van State heeft uitspraak gedaan in een zaak over teerhoudend asfaltgranulaat (TAG) op 4 oktober 2006, nr. 200510325/1. Volgens de gemeente in kwestie moest de opslag van TAG worden gezien als een bodembedreigende activiteit. Dit omdat TAG zeer hoge concentraties polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) kan bevatten. Bij het bedrijf in kwestie bevond de maximaal 550.000 ton minerale afvalstoffen zich op een zandpakket. Als deze stoffen door zouden dringen tot in de bodem, kan dit grote risico’s hebben voor de bodem en het grondwater. De RvS heeft de gemeente in gelijkgesteld op basis van de NRB die PAK’s aanduiden als bodembelastende stof.

    Om in deze situatie conform de NRB een verwaarloosbaar bodemrisico te bereiken, kan het bedrijf kiezen tussen het aanleggen van een vloeistofdichte vloer of een vloeistofkerende vloer in combinatie met overkapping of afdekking.
  4. Inspectie vloeistofdichte vloer kan gefaseerd geschieden

    Door grote opslag van materialen is het vaak onmogelijk om vloeren te inspecteren op vloeistofdichtheid. De Raad van State heeft op 22 november 2006 (nr. 200509072/1) een uitspraak gedaan over een zaak waarbij een bedrijf dit probleem heeft voorgedragen aan een gemeente. De Raad heeft de gemeente in gelijkgesteld waardoor de inspectie conform CUR/PBV-Aanbeveling 44 gefaseerd mag verlopen.
  5. Bestaande riolering niet vloeistofdicht. Beheermaatregelen volstaan

    Bedrijfsriolering, die is aangesloten op de vloeistofdichte vloer van de wasplaats moet worden beoordeeld op vloeistofdichtheid. De Raad van State heeft op 29 november 2006 (nr. 200604103/1) uitspraak gedaan tegen dit voorschrift. De Raad is van mening dat het in afwijking van de NRB voorschrijven van een vloeistofdichte riolering niet te eisen is bij bestaande bedrijfsriolering.
  6. NRB maakt geen onderscheid tussen compost en zeer schone compost

    Afhankelijk van de aanwezigheid van een bodembedreigende situatie moet compost afgedekt worden met zeil of folie zodat de compost niet in contact komt met hemelwater. Ten aanzien van de opslag van compost maakt het desbetreffende bedrijf onderscheid tussen compost en ‘zeer schone compost’. Bij de beoordeling van het bodemrisico heeft de gemeente de NRB gehanteerd waarin de opslag van compost als een bodembedreigende activiteit wordt gezien. De gemeente in de zaak stelt dat het bedrijf bij het toepassen van de NRB onterecht onderscheid gemaakt heeft tussen compost en 'zeer schone compost'. De Raad van State heeft de gemeente in het gelijkgesteld.

    Uitspraak RvS: 30 januari 2007, 200609270/2
  7. Geen vloeistofdichte voorziening nodig voor opslag grof tuinafval Hoeksche Waard

    Op 3 december 2010 heeft de RvS een uitspraak gedaan over de vereiste voorziening bij opslag van grof tuinafval (nr. 201004460/1/M1). Uitkomst van de rechtszaak tussen de Regionale Afvalstoffendienst (RAD) Hoeksche Waard en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland is dat RAD Hoeksche Waard geen vloeistofdichte voorzieningen hoeft aan te brengen op haar afvalbrengstation in Westmaas. Het college had de milieuvergunning voor een afvalbrengstation van RAD gewijzigd met de voorwaarde dat het station een vloeistofdichte voorziening moest krijgen voor de opslag van grof tuinafval. De RAD ging tegen dit besluit in beroep.

    Groenafval
    Volgens het college is de opslag van het tuinafval bodembedreigend, omdat groenafval met bladeren verontreinigd kan zijn met pesticiden, microverontreinigingen en verontreinigde grond. Terwijl daarnaast percolaat - waarin afbraakproducten van bladeren zitten - tot verrijking van de bodem ter plaatse van de opslag kan leiden. Op grond van de geldende vergunning zou het niet uitgesloten zijn dat er groenafval aangeboden wordt dat elders al nat is geworden, of dat zodanig lang is opgeslagen dat het composteringsproces al is begonnen.

    Geen gevaar voor compostering
    RAD Hoeksche Waard voert echter aan dat een vloeistofdichte voorziening niet nodig is. Op het afvalbrengstation wordt alleen de droge fractie van grof tuinafval opgeslagen. Er zou geen gevaar voor compostering bestaan, omdat daarvoor grote hoeveelheden dicht op elkaar gedrukte natte fractie, zoals bijvoorbeeld groente en fruit, nodig zijn. Deze stromen worden echter niet in de inrichting geaccepteerd en ook niet opgeslagen. Daarnaast wijst RAD Hoeksche Waard op de reeds bestaande maatregelen in de inrichting: het stortvak waar het grof tuinafval wordt opgeslagen, is voorzien van een vloer van asfalt en kerende wanden die in de fundering staan. Het indringende hemelwater wordt geloosd op het hemelwaterriool, en komt zodoende niet in de bodem terecht. Verder wordt het stortvak minstens eens per maand geleegd en schoongemaakt, zodat er ook geen bladafval kan blijven liggen. Volgens RAD Hoeksche Waard zijn deze maatregelen voldoende om bodemverontreiniging te voorkomen.

    Oordeel
    De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het college haar bezwaren onvoldoende onderbouwd heeft. RAD Hoeksche Waard heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat haar opslag vloeistofkerend is. Het beroep van RAD Hoeksche Waard is daarom gegrond verklaard. Het voorschrift in de milieuvergunning voor een vloeistofdichte voorziening moet vernietigd worden.