Monitoringsverslag UP 2019 gepubliceerd

Gepubliceerd 19 maart 2020

In het convenant Bodem en ondergrond zijn afspraken gemaakt om de risico’s van alle verontreinigde locaties met onaanvaardbare risico’s voor mens, ecologie en verspreiding uiterlijk in 2020 te beheersen. Waar dat om financiële redenen niet lukt moeten de onaanvaardbare risico’s in beeld zijn en de uitvoering van de aanpak daarvan zijn gepland. In het jaarlijks, via deze site, gepubliceerde verslag wordt de voortgang van die afspraken gevolgd.

Uit verschillende indicatoren blijkt dat de bevoegde overheden en bedrijven net als voorgaande jaren goede vorderingen maken met het aanpakken van de locaties met onaanvaardbare risico’s. Het aantal locaties dat nog in uitvoering moet komen is in een jaar tijd gedaald van 210 naar 172 van de ca. 1400 locaties. Bij 75% van de locaties zijn de risico’s inmiddels beheerst. Voor het laatste jaar van het convenant is het aan te bevelen om extra energie te zetten op de locaties waarbij de uitvoering van de sanering nog moet starten. Hier ligt naast een taak van de bevoegde overheden uiteraard ook een rol voor eigenaren van deze locaties. Het aantal locaties dat is afgerond is in een jaar tijd gestegen van 473 naar 540 en de planning van de overheden geeft aan dat vrijwel alle locaties uiterlijk 2020 in uitvoering of afgerond zullen zijn. Bij een groot deel van de overheden zijn de beschikbare financiële middelen afdoende voor de in het convenant geformuleerde opgave op het gebied van locaties met onaanvaardbare risico’s. De afgelopen jaren zijn er nog circa 200 aanvullende spoedlocaties geïdentificeerd waarvan een derde in uitvoering is gebracht en een derde inmiddels alweer is afgehandeld. Al met al leidt de operatie spoedlocaties ertoe dat de meeste locaties in 2020 zullen zijn beheerst.

In 2019 is de problematiek rond grondverzet van PFAS houdende grond en baggerspecie in het centrum van de aandacht gekomen. Dit is voor alle bevoegde overheden een opgave. Een fors deel van de menskracht is in de tweede helft van 2019 op het PFAS dossier ingezet. Overheden zijn aan de slag gegaan met inventarisatie van bronnen van PFAS in hun beheergebied, hebben hun bodemkwaliteitskaart en bijbehorend bodembeleid aangevuld voor PFAS of zijn daar mee bezig, hebben in sommige gevallen saneringsbeleid vastgesteld en passen hun omgang met grond en baggerverzet, ook in contractvormen, aan op de nieuwe situatie. Dit monitoringsverslag richt zich verder beperkt op de PFAS problematiek, omdat de convenant afspraken op het gebied van bodemverontreiniging zich met name richten op verontreinigingen met onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid, ecologie en verspreiding naar het grondwater. PFAS is het afgelopen jaar vooral problematisch gebleken door de diffuse verspreiding van PFAS met als gevolg relatief lage gehalten PFAS in de bodem hetgeen heeft gezorgd voor vraagstukken op het gebied van stagnatie van grondverzet. Naar specifieke locaties die zwaar belast zijn met PFAS als gevolg van puntverontreiniging wordt nog nader onderzoek verricht in 2020. De verwachting is niet dat – op een aantal uitzonderingen na – sprake zal zijn van spoedeisende gevallen met onaanvaardbare humane risico’s, uitgaande van het extensieve gebruik van deze zwaar belaste locaties. Van urgentie vanwege verspreiding is nog geen beeld. Bij de spoedlocaties die in 2019 door de overheden nieuw zijn opgevoerd zit één locatie waarbij sprake is van een ontwikkeling van woningen op een voormalige brandweeroefenplek bij een vliegbasis waar sprake is van spoedeisend vanwege PFAS.
Van belang is ook om vast te stellen dat bodemsanering ook plaats vindt buiten het convenant om in het kader van herontwikkeling of andere afspraken. Zo heeft in 2019 de minister van I&W, Rijkswaterstaat decharge gegeven van de programmatische aanpak bodemverontreiniging. De aanpak van de zeer beperkte groep resterende locaties onder beheer van Rijkswaterstaat worden in de reguliere beheer en onderhoudstaken meegenomen.

Uitvoering goed op stoom, naar met doorlopende opgaven

De overall conclusie is dat de convenantspartijen goed op stoom zijn bij het in uitvoering krijgen van saneringen, het beheersen van de risico’s en afhandelen van de locaties met onaanvaardbare risico’s. De doelen van het convenant over de geïdentificeerde locaties met onaanvaardbare risico’s zijn daarmee bereikbaar en realistisch waarbij in het laatste jaar extra aandacht nodig is voor het in uitvoering krijgen van de laatste groep nog niet gestarte locaties.

Tegelijkertijd moet – net als voorgaande jaren - worden vastgesteld dat een substantieel deel van de locaties (ca. 560) in uitvoering is of zal zijn gestart in 2020, maar dat de definitieve beheersing van de risico’s en afhandeling van de locaties zal worden gefinaliseerd na 2020 (of zelfs eeuwigdurend is). Ook op het gebied van nazorg, diffuse verontreinigingen, gebiedsgericht grondwaterbeheer, waterbodems en nieuwe verontreinigingen hebben verschillende overheden een opgave die na 2020 doorloopt.
Uit de monitoring blijkt dat de problematiek rondom diffuse bodemverontreiniging als gevolg van de grotere risico’s van loodverontreinigingen omvangrijker is dan gedacht en dat de problematiek met nieuwe verontreinigingen, met name als gevolg van de diffuse verontreiniging van PFAS, steeds vaker leidt tot behoefte aan nieuw handelingsperspectief en in een aantal gevallen tot substantiële financiële inzet. Deze nieuwe inzichten leiden bij sommige bevoegde overheden tot een grotere opgave voor deze diffuse verontreinigingen dan was voorzien bij het afsluiten van het convenant. Voor de bevoegde overheden betekent dit dat zij op verschillende onderwerpen een opgave hebben die ook na 2020 resteert.

Het uitvoeringsprogramma heeft een overzicht gemaakt van de kosten voor het beheer van de historische verontreinigingen na 2020. Hoewel in dat overzicht onzekerheden zitten is volstrekt duidelijk dat ook na 2020 nog substantiële kosten voor het beheer van historische verontreinigingen aan de orde zijn. Bij het vraagstuk van financiering van het bodembeheer na 2020, zal de doorlopende opgave van de aanpak van spoedlocaties een plek moeten krijgen maar zal niet meer de focus liggen op de aanpak van deze locaties met onaanvaardbare risico’s die na 2020 nog in uitvoering zijn (die zijn immers grotendeels al gefinancierd binnen de twee convenanten) maar vooral op de doorlopende opgaven die deels al in dit convenant benoemd zijn en waarvoor kosten na 2020 aan de orde zijn: het omgaan met diffuse loodverontreiniging en PFAS verontreiniging, het beheer en aanpak van grondwater beheergebieden, waterbodems (c-lijst locaties), nieuwe bedreigingen en nazorg. Bij de financiering van het bodembeheer na 2020 moet rekening worden gehouden met de wijziging van bevoegdheden als gevolg van de invoering van de Omgevingswet.