Lozingsvoorschriften bodemsanering en proefbronnering

In de lozingsbesluiten zijn twee activiteiten benoemd over het lozen van grondwater.  Een activiteit over het lozen van schoon grondwater en een activiteit over het lozen van verontreinigd grondwater.

Bij het lozen van verontreinigd grondwater moet men denken aan het lozen van grondwater afkomstig van bodemsaneringen, proefbronnenringen en lozingen bij saneringsonderzoek.

Deze pagina gaat over de voorschriften in het Activiteitenbesluit en het Besluit lozen buiten inrichtingen bij het lozen van grondwater van:

De besluiten geven de lozingsvoorkeur aan en stellen voorwaarden aan lozing naar oppervlaktewater, bodem en riolering.

Ook de grondwaterstand verlagen door het wegpompen en vervolgens lozen van het grondwater om een droge bodemsanering uit te voeren valt onder deze activiteit.

Als men het grondwater wat vrijkomt bij de sanering voor een ander doel wordt toepast, valt de lozing niet meer onder de paragraaf. De lozing van het water is dan geregeld bij de activiteit waarvoor grondwater wordt toegepast. Bijvoorbeeld:

Vindplaats

De voorschriften voor het lozen van grondwater afkomstig van bodemsaneringen of proefbronneringen staan voor bodemsaneringen bij bedrijven of bedrijfsmatige saneringen (inrichtingen);

Als er geen sprake is van een inrichting in de zin van de Wm staan de voorschriften in;

Op het lozen ten gevolge van werkzaamheden aan vaste objecten en bodemsaneringen bij particuliere huishoudens is het Besluit lozen buiten inrichtingen van toepassing en niet het Besluit lozing afvalwater huishoudens (artikel 2, vijfde lid).

Bij voorkeur wordt grondwater ter plaatse gereinigd en daarna geloosd in het oppervlaktewater of schoonwater riool. Eventueel mag gereinigd grondwater ook op de bodem worden geloosd. Een lozing op het vuilwaterriool is niet toegestaan.

Hiermee wordt invulling gegeven aan de voorkeursvolgorde van artikel 10.29a Wm.

De activiteit is geregeld in hoofdstuk 3 van het besluit. Daarom gelden de voorschriften voor type B- en type C-bedrijven. Een inrichting type B en een inrichting type C moeten de activiteit melden.

Wanneer welk besluit?

Als bodemsanering of proefbronnering op het terrein van een bedrijf plaatsvindt, is dit onderdeel van de inrichting. Een lozing van grondwater vanwege bodemsanering of proefbronnering bij een bedrijf moet voldoen aan de eisen in het Activiteitenbesluit.

Een bodemsanering of een proefbronnering kan ook als zelfstandige activiteit plaatsvinden. Het bevoegd gezag moet dan beoordelen of sprake is van een zelfstandige inrichting in de zin van de Wet milieubeheer (Wm). Dat is het geval als sprake is van bedrijfsmatige activiteiten of in omvang bedrijfsmatig, die nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken, plaatsvinden binnen een zekere begrenzing en plegen te worden verricht (bepaalde tijd/zekere continuïteit).

De activiteiten die nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken zijn benoemd in bijlage 1 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Dit is bijvoorbeeld de aanwezigheid van een of meer elektromotoren of verbrandingsmotoren met een vermogen of een gezamenlijk vermogen groter dan 1,5 kW (categorie C.1 Bor).  Als de gemeente heeft beoordeeld dat geen sprake is van een inrichting, dan is het Besluit lozen buiten inrichtingen van toepassing. Zie website InfoMil voor meer informatie over het begrip inrichting.

Aanverwante wetgeving

Wet bodembescherming (hoofdstuk IV, § 3).

De voorkeursvolgorde uit artikel 10.29a Wm voor de verwijdering van afvalwater.

Verboden en voorwaarden

Zowel in het Besluit lozen buiten inrichtingen als het Activiteitenbesluit (AB) is het verboden grondwater te lozen in het vuilwaterriool (artikel 3.1, lid 5). Behalve als:

  • het om de proefbronnering gaat (artikel 3.1, lid 6, onder a)
  • door maatwerkvoorschrift dit is toegestaan (artikel 3.1,lid 6, onder b). (door gemeente)

De andere lozingsroutes zijn toegestaan onder de voorwaarden van het besluit. Bij lozing op het oppervlaktewater is er geen watervergunning nodig. Het moet wel gemeld worden aan de waterkwaliteitsbeheerder.

In artikel 3.1 van de besluiten worden grenswaarden gesteld voor lozing naar oppervlaktewater of schoonwaterriool.

Volgens artikel 3.1, lid 3 gelden er strengere eisen bij lozen in niet aangewezen (kwetsbaar) oppervlaktewater dan in aangewezen oppervlaktewater. Binnen de aangegeven randvoorwaarden is het op basis van artikel 3.1, lid 7 mogelijk om strengere of minder strenge eisen te stellen voor lozingen in het schoonwaterriool en lozingen in aangewezen oppervlaktewater.

BBT

Het grondwater wordt ter plaatse gereinigd. De tabel geeft voor de verschillende categorieën verontreinigingen aan welke verwijderingstechnieken geschikt zijn.

Tabel: verwijderingstechnieken
Strippen Actief kool Biologisch (1)

Precipitatie
Coagulatie
Flocculatie

Ionen-
wisselaar

Olie-
afscheider

Zandfiltratie (2)
BTEX ++ ++ ++ - - - - +
VOCl ++ ++ - - - - - - - - - -
Minerale olie 0 ++ 0 0 - - + +
Naftaleen en overige PAK's 0/- ++ +/0 0 - - 0 +
Zware metalen - - - - - - ++ ++ - - +

Verklaring van de tekens: ++ = zeer goed, + = goed, 0 = matig, - = slecht, -- = zeer slecht.

(1): Uitgaande van een voorzuiveringstechniek op de saneringslocatie. Bij een RWZI (ook een biologisch systeem) is de score voor minerale olie, naftaleen en overige PAK en zware metalen beduidend positiever.
(2): Alleen in combinatie met een andere techniek.

Maatwerk

afwijken emissiegrenswaarden

Het besluit biedt mogelijkheden om bij maatwerkvoorschrift af te wijken van de gestelde emissiegrenswaarden.

Minder strenge lozingseisen kunnen uitsluitend worden geformuleerd wanneer blijkt dat de standaard eisen met toepassing van BBT niet haalbaar zijn én het belang van het milieu daarmee niet wordt geschaad. Strengere lozingseisen kunnen worden opgenomen wanneer dit van belang is voor de bescherming van het milieu

opheffen verbod lozing op vuilwaterriool

Het verbod tot lozen in het vuilwaterriool is gebaseerd op de voorkeursvolgorde uit artikel 10.29a Wm voor de verwijdering van afvalwater. In een aantal uitzonderingssituaties kan lozen in het vuilwaterriool de enige of meest doelmatige optie zijn. Bijvoorbeeld:

  • een te grote afstand tot oppervlaktewater of schoonwaterriool, zodat daarop niet geloosd kan worden,
  • een te hoge grondwaterstand waardoor een lozing in de bodem niet mogelijk is
  • een beperkte tijdsduur van de lozing, of beperkte vracht aan verontreiniging. Hierdoor staan de kosten voor vergaande zuivering niet in verhouding tot de milieuwinst die daarmee kan worden bereikt
  • het feit dat voor de in het grondwater aanwezige verontreinigingen de restverontreiniging niet met gangbare technieken kan worden beperkt tot de concentratie-eisen die gelden voor lozing in oppervlaktewater en in de bodem. Dit kan zich vooral voordoen bij metalen en bij naftaleen en overige PAK's.

Alleen in deze uitzonderingssituaties kan de lozing in het vuilwaterriool door maatwerk worden toegestaan. De kosteneffectiviteit van maatregelen speelt daarbij een rol. De initiatiefnemer kan een verzoek voor het toepassen van maatwerk bij het bevoegd gezag indienen. Het verzoek moet vergezeld gaan van een (financiële) onderbouwing. Zo kan aangetoond worden dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie.

wijzigingen in regelgeving

Per 1 januari 2010 heeft de redactie van deze activiteit in het Activiteitenbesluit een kleine wijziging ondergaan. Deze wijziging heeft geen inhoudelijke consequenties. De wijziging (pdf, 17 kB), inclusief de toelichting daarbij, volgens Staatsblad 2009, 479.

Controle-aspecten

  1. Wordt er afvalwater van een bodemsanering of proefbronnering geloosd?
  2. Is er een melding ingediend voor de lozing? (artikelen 1.10 en 1.12 Activiteitenbesluit of artikelen 1.10 en 1.11 Besluit lozen buiten inrichtingen)
  3. Wordt de juiste lozingsroute gevolgd?
  4. Indien geloosd wordt in het vuilwaterriool: is dit toegestaan?
  5. Doelmatige controlevoorziening aanwezig?
  6. Voldoet de lozing aan de emissiegrenswaarden volgens het besluit?
  7. Visuele beoordeling geloosde water