Monitoringsverslagen

Het monitoringsverslag geeft de voortgang weer van de afspraken die zijn neergelegd in de artikelen 4 t/m 10 van het convenant bodem en ondergrond en verbindt daaraan conclusies en aanbevelingen. De rapporten zijn opgesteld door het uitvoeringsteam van de convenantspartijen (UP). De aanbevelingen zijn geadresseerd aan de Stuurgroep Ondergrond, Bodem en Grondwater of aan de bevoegde overheden. De aanbevelingen zijn opgesteld met het oog op de realisatie van de convenantdoelen en de ondersteuning van het UP daarbij.

Voor de monitoring van de spoedopgave is in 2016 gestart met een vast invulformat. In 2017 en 2018 is dat format op enkele details doorontwikkeld. In het format staat de voortgang van de aanpak van de spoedlocaties centraal. Voor de monitoring is aan de bevoegde overheden gevraagd om mutaties door te geven in de gegevens die zij in 2017 hebben aangeleverd en de lijst aan te vullen met locaties die in 2018 zijn toegevoegd. Het format voor de uitvraag vraagt per locatie gericht naar de status van een locatie op dezelfde manier waarop in dit verslag wordt gerapporteerd. De monitoring is gebaseerd op de 41 lijsten van de verschillende bevoegde overheden.

In 2017 is geconstateerd dat het format van de monitoring voldoet en dat er weinig noodzaak is om dat format aan te passen. In 2018 is daarom vooral geïnvesteerd in de communicatie naar de 41 verschillende overheden over de wijze waarop datavelden moeten worden geïnterpreteerd. Dat is gedaan via 3 regionale voorlichtingsbijeenkomsten, een helpdesk in te richten en door 1 op 1 feedback te geven op de ingevulde formats in concept.

De monitoringsronde 2018 is soepel verlopen. De bevoegde overheden zijn duidelijk gewend aan de wijze en format van uitvraag. Uit de ingevulde data blijken twee aandachtspunten. Enerzijds is dat de behoefte aan verdere uniforme hantering van de gezamenlijk afgestemde definitie wanneer een locatie als beheerst kan worden gezien, anderzijds is dat de behoefte aan meer uniform rapporteren van potentiele ‘faal kosten’ die ingeval van niet bereiken van een stabiele situatie in het grondwater aan de orde kunnen zijn.

In het monitoringsverlag van 2019 is de overall conclusie is dat de convenantspartijen goed op stoom zijn bij het in uitvoering krijgen van saneringen,het beheersen van de risico’s en afhandelen van de locaties met onaanvaardbare risico’s. De doelen van het convenant met betrekking tot de geïdentificeerde locaties met onaanvaardbare risico’s zijn daarmee bereikbaar en realistisch waarbij in het laatste jaar extra aandacht nodig is voor het in uitvoering krijgen van de laatste groep nog niet gestarte locaties. Tegelijkertijd moet –net als voorgaande jaren -worden vastgesteld dat een substantieel deel van de locaties (ca. 560) in uitvoering is of zal zijn gestart in 2020,maar dat de definitieve beheersing van de risico’s en afhandeling van de locaties zal worden gefinaliseerd na 2020 (of zelfs eeuwigdurend is). Ook op het gebied van nazorg, diffuse verontreinigingen, gebiedsgericht grondwaterbeheer, waterbodems en nieuwe verontreinigingen hebben verschillende overheden een opgave die na 2020 doorloopt.

De voortgang van de aanpak van het convenant wordt in een jaarlijkse bezoekronde aan de bevoegde overheden besproken. De monitoringsgegevens die door de bevoegde overheden zijn overlegd kunnen worden gebruikt als onderdeel van de agenda van deze bezoeken.